Vanaf het donkere perron stapt hij de tram in en ploft snel neer op het eerste vrije stoeltje. Kerstpakket op schoot. Hopelijk zit er iets te eten in voor vanavond. Het is druk, de tram dampt. Hij leunt tegen de zijwand en ziet zichzelf weerspiegeld in de ruit. Klamme haren, vermoeide blik, zijn armen rustend op de kerstdoos. Dan focussen zijn ogen zich door de ruit heen op de donkere wereld buiten.

Morgen zal hij weer bij zijn ouders aankomen. Natuurlijk zegt zijn moeder iets over zijn kleding. “Dat jasje moet nodig naar de stomerij hoor. Dat kan zo niet. Kijk hier, helemaal smoezelig.” Hij zal knikken en ze zal hem een envelop geven voor zijn verjaardag. “Drieëndertig alweer, tjonge wat gaat de tijd hard,”zal ze verzuchten. Daarna vraagt ze nog iets over zijn werk “Ja hoor mam, helemaal naar mijn zin” en duikt ze de keuken weer in. Naar vriendinnen vraagt ze niet, gelukkig maar.

Zijn vader zal een fles wijn opentrekken en hem vragen nog eens te vertellen van zijn auto, de wegenwacht, en wat ze in de garage zeiden. Vervolgens zal zijn pa zelf het verhaal over zijn oude Citroën ophalen, hoe ze daarmee de bergen in gingen. Samen zullen ze de open haard aansteken “de blokken schuin zodat er lucht bij kan”. Hij had het al honderd keer gehoord. Ze zouden enkele minuten zwijgend in het vuur staren. Het beste moment van de dag.

Zijn zus zal binnenvallen, met man en kinderen. De komende tweeëneenhalf uur zullen gevuld worden met rennende kinderen, waarschuwingen, gegil en – het ergste – haar eindeloze verhalen.  Over de ruzies binnen het wijkbestuur, over wel of niet luizencapes op school, over haar roddelende collega’s, krentenbaard (wat dat in godsnaam moge zijn), de wasmachine die het begaf en hoe de reparateur tussen negen en twaalf zou komen maar pas om half een verscheen waardoor zij de kinderen niet kon ophalen “en toen waren ze ook nog te laat voor paardrijles en ballet”. Zwagerlief zal intussen de keuken binnenlopen en helpen met tomaten snijden terwijl hij geduldig luistert naar de verhalen van moeder over haarzelf en over “de broer van de neef van het achterkleinkind van de buurvrouw en daar dan de hond van, die toch zó iets ergs had meegemaakt…” Oefening voor later.

Uiteindelijk, veel later, zal zijn broer arriveren, met zijn nieuwste designbril, maatkostuum en catwalkmodelletje aan zijn arm. Natuurlijk zullen ze buiten gaan kijken naar zijn nieuwste leasebolide. “Goh hee, en je hoeft zelf niets te betalen, niet eens je benzine? Tjonge.” Zijn broer zal vertellen over zijn nieuwste carrièremove en moeder zal hem trots mee naar binnen loodsen.

Ze zullen meteen aan tafel kunnen. “Verrukkelijk” en “heerlijk” vliegen over tafel, waarop zijn moeder zal zeggen dat het niet zo veel voorstelt. Zuslief zal een tirade afsteken over “hoe belangrijk goede voeding is. En al die ouders die hun kinderen maar verwaarlozen. Helemaal niks begrijpen van opvoeding, ik kan je wat staaltjes noemen…” De wijn zal, zoals dat heet, rijkelijk vloeien en zijn vader krijgt steeds meer aandacht voor het schoondochtermodel van zijn broer dat schuddend met haar state-of-the-art voorgevel het nieuwste yogastandje demonstreert. Zijn broer vertelt intussen over dat aardige restaurantje op Barbados wat ze onlangs hebben ontdekt en moeder hangt aan zijn lippen totdat ze naar de keuken snelt omdat de cranberrysaus dreigt te mislukken. Zijn zwager zal helpen met afruimen en ‘en passant’ proberen de kinderen rustig te houden, terwijl zijn zus steeds luider begint te oreren over het gebrek aan goede communicatie in deze egoïstische maatschappij.

Na het dessert zullen ze rond de open haard aan de koffie gaan. Met een glaasje erbij, natuurlijk. “Hè, wat gezellig toch,” zal zijn vader zeggen en moeder zal verwachtingsvol rondgaan met haar zelfgemaakte kerstbonbons. De gesprekken zullen gaan over de verkiezingsuitslag en over de luieruitslag van de jongste. Na het eerste kopje zal hij vermoeid opstaan, zijn moeder bedanken, iedereen gedag zoenen en naar huis gaan. “Wat was hij stil?”zullen ze zeggen als hij de deur heeft dichtgetrokken. “Gaat het wel goed met hem?” Dan zullen ze hun schouders ophalen: “Ach, hij is altijd al een stille geweest…”

Hij schrikt op als de tram het eindpunt nadert en voelt een koude baksteen in zijn maag. Jarenlang heeft hij geprobeerd zich thuis te voelen, maar het lukt hem niet. Nergens. Dit is hun wereld, niet de zijne. “Hun wereld, niet de mijne,”mompelt hij onhoorbaar. De leegte in zijn ogen wordt weerspiegeld door de bedruppelde tramruit. Snel kijkt hij weg. De tram is bijna leeg, op één oud vrouwtje na. Ze schuifelt naar hem toe, haar kleren rafelen, oude lappen. Hij kijkt stuurs een andere kant uit, maar ze pakt zijn hand vast. Ineens voelt hij een rust over zich heen komen. Een aangename warmte neemt bezit van hem. Verrast kijkt hij in haar gerimpelde gezicht en ziet daarin de liefste, de allerliefste ogen die hij ooit heeft gezien. Zo veel warmte stralen ze uit. “Ze komt hem halen,” zeggen haar ogen. Hij glimlacht, gloeit, voelt zich lichter dan ooit. Met beide handen pakt hij haar handen en voelt hoe onzichtbare stromen hen omhullen. De tijd is gekomen. De wereld, die nooit de zijne was, tolt om hen heen. En ineens weet hij alles weer. Mensen, liefde, de aarde… “Drieëndertig jaar” had hij gezegd. “Geef me drieëndertig jaar in onwetendheid. Laat me mens onder de mensen zijn. Ik wil begrijpen, ik wil voelen, ik wil lijden zoals de mensen lijden.”

Zo licht als een zeepbel zweven ze buiten in de schemering. Nog één keer kijkt hij om. Hij ziet de jongeman in de verlichte tram, met een kerstpakket op schoot. Ogenschijnlijk slapend, knikkebollend. Dromend van de allermooiste kerst sinds jaren. Ontroerd pakt hij het prachtige wezen naast hem vast. Samen gaan ze op weg naar huis. Naar huis! Hij lacht bevrijd, een heldere, zielsgelukkige lach.

 

Annick Huijbrechts

Uit de bundel: Mooie Kerst achter de Duinen, 2008

Foto: Scheveningen haven, donker & licht, 2004

 

 

Deel deze pagina
  • 14
    Shares